Wat leert een kind bij ons op school?

Wat leert een kind in de onderbouw ? (groep 1 t/m 3 )

De groepen 1/2 zijn heterogene groepen. In deze groepen spelen en leren de jongste en oudste kleuters met elkaar. Deze samenstelling vergroot de ontwikkeling van kinderen en stimuleert de sociale vaardigheden.

Bij de jongste kleuters is er veel aandacht en ruimte om te wennen. Voor zowel de jongste als de oudste kleuter is er veel aandacht voor gewoontevorming, structuur en sociaal emotionele ontwikkeling en vaardigheden. 

De kleuters leren spelenderwijs op eigen niveau. Aan de oudste kleuters bieden wij betekenisvolle activiteiten aan die gericht zijn op het voorbereidend taal-, reken- en schrijfonderwijs. 

In de groepen 1/2 wordt gewerkt met een keuzebord. De kinderen kiezen hun werk met behulp van een eigen pictogram. De oudste kleuters werken  daarnaast met keuzelades met opdrachten waarin zij zelf kunnen kiezen en op eenvoudige wijze bij kunnen houden wat ze afgerond hebben. Dit is de eerste stap naar het zelfstandig werk.  De leerkracht speelt hierbij een begeleidende en uitnodigende rol.

 

Vanaf groep 3 wordt er gewerkt met dag- en weektaken. Daarnaast is ruimte voor keuzeactiviteiten, zoals taal-, reken-, spel-  en expressieactiviteiten. De thematische onderwerpen worden ook in de weektaken verwerkt. Deze werkwijze sluit aan bij die van groep 2.  Op deze manier verloopt de overgang van groep 2 naar groep 3  geleidelijk en kunnen kinderen wennen aan de manier van werken in de bovenbouw.

De groepen in de onderbouw zijn zo ingericht en uitnodigend dat de kinderen op een veilige manier zelfstandig kunnen werken; zo wordt er tijd gecreëerd waarin de leerkracht extra aandacht kan geven aan individuele kinderen. Deze werkwijze wordt uitgebouwd tot in groep 8. 

 

Wat leert een kind in de midden- en bovenbouw ? (Groep 4 t/m 8)

In de loop van de basisschoolperiode wordt een kind steeds zelfstandiger en kunnen kinderen meer verantwoordelijkheid dragen. Het zelfstandig werken in de bovenbouw sluit aan op de werkwijze in de onderbouw. Hoe ouder de kinderen worden hoe langer ze gericht aan een taak kunnen werken. Uiteindelijk streven wij ernaar dat het kind in groep 8 na instructie een uur zelfstandig kan werken. 

De leerlingen maken met het zelfstandig werk gebruik van dag- en weektaken. Als kinderen klaar zijn met hun taak wordt er herhalings- en verrijkingsstof aangeboden.  

Aan het begin van de dag is er regelmatig een inlooptijd. De kinderen beginnen dan zelfstandig aan een taak, een activiteit uit de keuzekast of ze starten met het werk dat de leerkracht heeft klaargelegd.

 

Tijdens het zelfstandig werk verzorgt de leerkracht individuele instructies aan de instructietafel. Deze instructies kunnen herhalend of verrijkend zijn. Kinderen kunnen tijdens het zelfstandig werken kiezen om even alleen te werken. In iedere groep zijn hiervoor diverse plekken gecreëerd. 

Bij de kinderen wordt het zoeken naar verschillende oplossingen gestimuleerd. Als een kind een vraag heeft, kan het behalve bij de leerkracht ook bij andere kinderen terecht. Er wordt veel gewerkt in kleine groepjes, zodat kinderen leren gericht samen te werken. De leerkracht begeleidt de kinderen om steeds meer hun eigen gedrag en werkhouding te beoordelen. 

 

Wat is een inloop?

Elke ochtend hebben de groepen een inloop. Bij de inloop is er ruimte voor de kinderen om een activiteit te kiezen, iets te vertellen of de kijktafel te laten zien aan ouders.

Daarnaast heeft de leerkracht de gelegenheid voor het werken in de kleine kring of extra instructie te geven aan individuele kinderen. De kinderen werken zelfstandig aan een leeractiviteit. Deze taak heeft de leerkracht klaargelegd.

Op vastgestelde momenten in de week nodigen wij ouders uit om bij de inloop in de groep te zijn. Hieronder kunt u lezen wat het doel is van de inloop, welk soort activiteiten er worden aangeboden, wat de rol van de leerkracht is en wat de rol van de ouders is.

 

Doel van de inloop

  • De inloop is een overgangsmoment van thuis naar school. Leerlingen kunnen door middel van de inloop rustig aan de schooldag beginnen;
  • Ouders worden betrokken bij de schoolse activiteiten van hun kind. Leerlingen laten hun ouder(s) zien waar we op school mee bezig zijn.
  • Leerlingen krijgen in dit overgangsmoment de juiste mind-set voor schoolse activiteiten.
  • Bevorderen van de zelfstandigheid van leerlingen.
  • De inloop is een moment waarop kinderen en ouders elkaar kunnen ontmoeten.

 

Welke activiteiten worden er aangeboden?

  • De leerling kiest een activiteit die door de leerkracht wordt aangeboden. Dit ligt klaar op de tafels, in de kring of staat op het bord aangegeven. Dit zijn activiteiten die aansluiten op de leeractiviteiten van die week.
  • Leerlingen kunnen kiezen uit activiteiten die zelfstandig kunnen worden gemaakt.
  • Leerlingen maken kennis met verschillende leermaterialen en leeractiviteiten (werkbladen, tablet, digibord, ontwikkelingsmateriaal,etc.)

 

Wat is de rol van de leerkracht tijdens de inloop?

  • Leerlingen en ouders begroeten bij binnenkomst.
  • Leerlingen helpen bij het kiezen van een leeractiviteit.
  • Samen met leerlingen een activiteit doen.
  • Voorinstructie geven aan leerlingen.
  • Leerlingen ontmoeten en in gesprek gaan.

 

Wat is de rol van de ouder(s) tijdens de inloop?

  • Samen een leeractiviteit doen met hun kind. De leerling kiest de activiteit.
  • De leerkracht kort informeren over belangrijke zaken die op dat moment van belang zijn wanneer het over de leerling gaat.
  • Belangstelling tonen voor het werk van hun eigen kind, een kijkje nemen bij bijvoorbeeld de thematafel.

 

Op welke tijden heeft de school een inloop?

Elke ochtend heeft de school een inloop. Hieronder vindt u de dagen en tijden waarop wij ouders uitnodigen om de bij de inloop aanwezig te zijn. Wanneer de inlooptijd voorbij is, vragen wij ouders om de school te verlaten.

 

Groepen 1 t/m 3                                              Groepen 4 t/m 8

Maandag: 08.20 – 08.30 uur                             Maandag: 08.20 – 08.45 uur

Dinsdag: 08.20 – 08.45 uur                               Dinsdag: 08.20 – 08.30 uur

Woensdag: 08.20 – 08.30 uur                            Woensdag: 08.20 – 08.30 uur

Donderdag: 08.20 – 08.30 uur                           Donderdag: 08.20 – 08.30 uur

Vrijdag: 08.20 – 08.45 uur                                 Vrijdag: 08.20 – 08.30 uur

 

Wat is opbrengst gericht werken?

Opbrengst gericht werken is een wijze van feedback geven aan leraren en leerlingen. Dit betekent dat leraren zich in het bijzonder op de leeropbrengsten van leerlingen richten. Onze focus ligt op het verbeteren van het lees-, taal- en rekenonderwijs in de klas. Meer effectieve leertijd, betere instructie, meer en betere feedback aan de leerlingen door middel van het stellen van hoge eisen. Daarnaast is er veel aandacht voor het ontdekken van verschillende leerstrategieën. Dit alles draagt bij aan het verhogen van de leeropbrengsten. De constatering dat de leerprestaties verbeteren, werkt voor zowel de leerling als de leraar motiverend. ‘Je ziet waar je het voor doet’. Het opbrengstgericht werken gebeurt op leerling-, groeps- en schoolniveau, waardoor er een doorgaande lijn ontstaat. Deze doorgaande lijn draagt bij aan de optimale ontwikkeling van de leerling. De opbrengsten worden besproken met leerlingen en ouders.

 

Wat zijn de kerndoelen?

In de Nederlandse wet staat precies wat leerlingen op de basisschool moeten leren. Deze doelstellingen worden de ‘kerndoelen van het primair onderwijs’ genoemd. Op school zijn de kerndoelen het uitgangspunt voor wat kinderen aan het eind van de basisschool moeten beheersen. De school gebruikt de kerndoelen om de tussen- en eindopbrengsten te formuleren. U kunt meer informatie vinden over de kerndoelen op www.slo.nl

 

Hoe werken kinderen met de computer ?

Bij ons op school wordt er in iedere groep gebruik gemaakt van interactieve middelen, zoals het digitale schoolbord, computers, tablets en laptops. Deze middelen vormen een onderdeel van het dagelijks lesaanbod en hebben een vaste plaats in de dag- en weektaken. 

De kinderen leren op school op jonge leeftijd om te gaan met de computer als onderdeel van het lesaanbod. Op school zijn diverse educatieve programma’s beschikbaar. Deze programma’s bieden die leerlingen herhaling en verrijking van de lesstof. Daarnaast maken kinderen kennis met programma’s voor tekstverwerken en het maken van presentaties. 

 

Via het internet kunnen kinderen informatie zoeken over een onderwerp voor een werkstuk of voor een thema in de groep. De leerlingen leren kritisch te kijken naar bronnen van het web. De leerlingen maken gebruik van het internet onder begeleiding van een leerkracht. De school biedt zo veel mogelijk kindvriendelijke websites aan. 

Op school wordt aandacht besteed aan het werken met e-mail en sociale netwerksites. De leerlingen denken hierbij na over gepaste omgangsvormen en leren gepast taalgebruik te gebruiken bij gebruik van deze communicatiemiddelen.  

Het ICT (Informatie en Communicatie Technologie) is een snel ontwikkelend onderdeel van het onderwijs. De school kijkt bij nieuwe ontwikkelingen wat een wezenlijke aanvulling is op de bestaande middelen. Aan de school is een mediacoach verbonden die deze ontwikkelingen coördineert en leerkrachten begeleidt bij de inzet van ICT. 

 

Wat leert een kind met taal en lezen?

Taal is de basis voor ontwikkeling. Taal is in alle vakgebieden terug te vinden. Taalonderwijs is van belang voor het succes dat kinderen in het onderwijs zullen hebben en voor de plaats die ze in de maatschappij zullen innemen. Daarnaast heeft taal een sociale functie: In het dagelijks leven speelt taal een belangrijke rol. 

In groep 1 wordt aandacht besteed aan het praten in hele zinnen. Hierbij laten we de kinderen ervaren dat het belangrijk is om te kunnen zeggen wat je bedoelt of wat je wel of niet wilt. Daarnaast worden er veel activiteiten in thema’s aangeboden om de woordenschat te vergoten. De kinderen werken met het Bas-project dat binnen de school ontworpen is. 

Het Bas-project is een structureel onderdeel van het taalonderwijs in de onderbouw van de school. Het project heeft als doel de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren en de woordenschat te vergroten. De kinderen leren hiermee in een uitdagende, taalrijke omgeving. Bij ons op school wordt het Bas-project gebruikt in groep 1 en 2.

Het project bestaat uit een serie praatplaten en een aantal boeken over een jongetje dat Bas heet. Daarnaast zijn er verschillende computerprogramma’s waarin de kinderen samen met Bas op een aantrekkelijke en uitdagende manier vaardigheden leren. 

Naast het genoemde lesmateriaal heeft de school leskisten ontwikkeld die passen bij verschillende thema’s. De school probeert zoveel mogelijk thema’s te gebruiken die aansluiten bij de beleving van de kinderen, zodat de activiteiten betekenisvol zijn voor kinderen en de betrokkenheid wordt vergroot. Bij de thema's worden regelmatig excursies georganiseerd en gasten uitgenodigd.

In de groepen zijn kijktafels met woordkaartjes. De kinderen worden betrokken bij de samenstelling van zo’n kijktafel. Verder zijn er in de groepen van de onderbouw spelhoeken te vinden. Door middel van spel wordt de taalontwikkeling van kinderen op een spelende en ongedwongen manier ontwikkeld. 

In de onderbouwgroepen zijn een lettermuur en een letterkastje aanwezig, die kinderen stimuleren om letters en klanken te combineren en woorden te maken.   

De leerkrachten in de verschillende groepen werken regelmatig in de kleine kring. Hierbij worden kinderen in een groepje van 4 of 5 kinderen uitgedaagd met elkaar in gesprek te gaan over een bepaalde vraag of onderwerp. Op deze manier wordt met name bij taalarme kinderen de mondelinge taalvaardigheid en de woordenschat vergroot. 

 

De lees- en taalactiviteiten vormen een groot gedeelte van de dagelijkse activiteiten in groep 3. De vaardigheden die in groep 1/2  zijn aangeleerd worden gebruikt om een start te maken met het leesonderwijs. Hiervoor wordt in groep 3 naast de thema’s gewerkt met een aanvankelijke leesmethode. 

Dagelijks lezen de kinderen individueel of in duo’s, vaak onder begeleiding van een oudere leerling. De leerlingen lezen op hun eigen niveau. Hiervoor zijn verschillende materialen aanwezig. Om het leesniveau te bepalen wordt gebruik gemaakt AVI-toetsen. 

De leerlingen van groep 3 gaan regelmatig naar de bibliotheek om zelf boekjes uit te zoeken.

In groep 4 wordt een start gemaakt met begrijpend lezen. Dit doen we aan de hand van een methode. Deze leert de kinderen gebruik te maken van verschillende soorten leesstrategieën. Naast de methode maakt de school gebruik van actuele teksten die aansluiten bij de thema’s of uit de krant.  In groep 7 gaat het begrijpend lezen over in studerend lezen, dat gericht is op studievaardigheden in het voortgezet onderwijs. 

 

Vanaf groep 4 wordt er gewerkt met de taalmethode Taalverhaal.nu. Deze methode sluit aan op de belevingswereld van de kinderen en besteedt op structurele wijze aandacht de diverse taalonderdelen. De methode biedt veel ruimte voor herhaling en verrijking. In de methode wordt onderscheid gemaakt in taalbeschouwing en spelling. Deze onderdelen worden regelmatig getoetst. De methode biedt  mogelijkheid voor extra hulp, met name voor leerlingen met een beperkte woordenschat en voor kinderen die behoefte hebben aan verrijkende stof. 

 

Naast de taalmethode is er veel aandacht aan boekpromotie. De kinderen bespreken boeken in de groep en presenteren deze aan de groepsgenoten. De thematische aanpak van wereldoriëntatie zorgt voor een taalrijke leeromgeving, met kijktafels, woordwebben en krantenmuren. 

Meer informatie is te vinden op www.taalverhaal.nu.

Het onderwijs in de Nederlandse taal is er op gericht dat kinderen  vaardigheden beheersen om binnen en buiten de school goede taalgebruikers te worden. Het taalonderwijs wordt onderverdeeld in drie domeinen:

 

Mondeling taalgebruik

De leerlingen kunnen informatie verkrijgen en verwoorden.

De leerlingen kunnen zich in diverse situaties mondeling uitdrukken, waarbij ze op juiste wijze de vorm en inhoud gebruiken.

De leerlingen leren informatie te beoordelen en ze kunnen met argumenten reageren. 

 

Schriftelijk taalgebruik

De leerlingen kunnen informatie halen uit teksten, schema’s, tabellen en digitale bronnen. 

De leerlingen kunnen zich in een tekst uitdrukken, waarbij ze op juiste wijze de vorm en inhoud gebruiken.

De leerlingen kunnen schriftelijke informatie en meningen ordenen. 

De leerlingen kunnen informatie en meningen vergelijken en beoordelen in teksten.

De leerlingen kunnen informatie en meningen ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een werkstuk of een formulier. Ze besteden aandacht aan de zinsbouw, de spelling, de lay-out en een leesbaar handschrift. 

De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van verhalen, gedichten en informatieve teksten.

 

Taalstrategie

De leerlingen zijn zich bewust van hun taalgebruik in mondelinge en schriftelijke taal. 

De leerlingen leren een aantal algemene taalregels, zoals het spellen van (werk)woorden, het ontleden van een zin en het toepassen van leestekens. 

De leerlingen vergroten hun woordenschat en ze kunnen dit gebruiken bij het denken en spreken. 

De school heeft de aanpak van het taalonderwijs beschreven in het taalbeleid. Hierin staat beschreven hoe het taalonderwijs op school wordt aangeboden.

 

Wat leert een kind met rekenen en wiskunde?

Bij ons op school wordt veel aandacht besteed aan rekenen en wiskunde. Het reken- en wiskundeonderwijs bestaat uit drie onderdelen:

 

Wiskundig inzicht en handelen

  • De leerlingen leren wiskundige begrippen te gebruiken.
  • De leerlingen leren rekenopgaven op te lossen en uit te leggen. 
  • De leerlingen kunnen verwoorden waarom ze voor een oplossingsstrategie hebben gekozen. 

 

Getallen en bewerking

  • De leerlingen leren de structuur en de samenhang kennen van hoeveelheden, getallen, breuken, procenten en verhoudingen. De leerlingen kunnen deze toepassen in rekensituaties.  
  • De leerlingen leren basissommen van getallen tot 100 snel uit het hoofd uit te rekenen. De leerlingen kennen de tafels.   
  • De leerlingen leren schattend rekenen en tellen. 
  • De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen. 
  • De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen. 
  • De leerlingen leren de rekenmachine te gebruiken. 

 

Meten en meetkunde

  • De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen. 
  • De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

 

In groep 1/2  leren de kinderen wiskundige begrippen kennen, zoals meer-minder-evenveel. Daarnaast leren de kinderen voorwerpen seriëren op grootte of op kleur. Ze leren voorwerpen en vormen te vergelijken, sorteren en te tellen. Daarnaast worden de cijfers t/m 12 aangeboden. In de groepen 1/2 is een telhoek ingericht, die kinderen stimuleert aan de rekenbegrippen te werken. Daarnaast werken de kinderen met het computerprogramma ‘Bas telt mee’. 

Vanaf groep 3 werken de kinderen met een rekenmethode. Deze methode werkt met betekenisvolle en inzichtelijke situaties voor kinderen. Daarnaast besteedt de methode veel aandacht aan het trainen en automatiseren van rekenvaardigheden. De leerlingen trainen het automatiseren o.a. op de computer.  De methode toetst regelmatig de vaardigheden. De methode biedt lesstof aan voor herhaling en verrijking. 

De interactie tussen leerlingen wordt bevorderd door instructies en rekengesprekken in de kleine instructiekring.

Meer informatie is te vinden op www.malmberg.nl/Basisonderwijs/Methodes/Rekenen/De-wereld-in-getallen.

 

Wat leert een kind met schrijven?

In de onderbouw wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de grove en fijne motoriek. In groep 2 zijn er diverse voorbereidende schrijfoefeningen, zodat in groep 3 begonnen kan worden met het schrijven. Omdat de motoriek bij jonge kinderen nog niet optimaal is wordt er onder andere gewerkt met stempels, magneetletters, Legoletters & krantenletters. 

De leerlingen starten in groep 3 met blokletters. De leerlingen krijgen het blokschrift aangeboden t/m groep 8.

Vanaf groep 6 gaan kinderen hun eigen handschrift ontwikkelen. Hierbij wordt gewerkt aan tempo, leesbaarheid en lay-out. 

Op school  wordt er geschreven en getekend met driehoekspotloden voor de juiste schrijfhouding en potloodgreep.  

Wat leert een kind met Engels?

In de groepen 7 en 8 maken kinderen verder kennis met de Engelse taal. De Engelse methode maakt gebruik van het digitale schoolbord, waarop de lessen worden ondersteund met filmpjes, liedjes en ‘cartoons’. Hiermee komen de kinderen in aanraking met spannende, grappige of gevoelige real life situaties waarin Engels de voertaal is. De kinderen leren de Engelse taal te begrijpen en te gebruiken.  Engels is een internationale taal. De methode laat kinderen niet alleen kennis maken met Groot-Brittannië, maar gebruikt situaties uit de hele wereld.  De werkwijze van de methode biedt een goede voorbereiding op het Engels van het voortgezet onderwijs. 

 

Wat leert een kind met wereldoriëntatie?  

De leerlingen oriënteren zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed. Wereldoriëntatie bevat de vakgebieden natuur & techniek, aardrijkskunde, geschiedenis en burgerschapskunde. Er worden methodes gebruikt voor wereldoriëntatie. Daarnaast worden deze vakken thematisch aangeboden. De leerlingen stellen hierbij onderzoeksvragen en maken hierbij gebruik van multimedia. 

 

Natuur & techniek

  • De leerlingen leren planten en dieren kennen uit de eigen leefomgeving.  
  • De leerlingen weten hoe planten, dieren en het menselijk lichaam zijn opgebouwd. 
  • De leerlingen doen onderzoek naar natuurlijke verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, magnetisme en temperatuur. 
  • De leerlingen kunnen weer en klimaat beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind. 
  • De leerlingen kunnen van producten uit hun eigen omgeving de werking, de vorm en het materiaalgebruik benoemen. 
  • De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen en te onderzoeken of deze ook werken. 
  • De leerlingen weten de positie van de aarde ten opzicht van de zon. De leerlingen leren dat dit de seizoenen, de dag en de nacht veroorzaakt.

 

De school maakt bij het aanbod van natuur en techniek gebruik van de middelen en projecten van de Helderse Vallei. Meer informatie kunt u vinden op www.heldersevallei.nl

 

Aardrijkskunde

  • De leerlingen leren de inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met andere plekken in binnen- en buitenland. Ze vergelijken het landschap, het wonen en werken, de cultuur, de levensbeschouwing en de welvaart. 
  • De leerlingen leren over de maatregelen die genomen zijn om het wonen in door water bedreigde gebieden mogelijk te maken. 
  • De leerlingen leren over de wereldwijde spreiding van bevolkingsgroepen, godsdiensten, klimaten, energiebronnen  en natuurlandschappen. 
  • De leerlingen leren de atlas te gebruiken. De leerlingen beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld. 

 

Geschiedenis

  • De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren de aanduidingen van tijd en de tijdsindeling te hanteren. 
  • De leerlingen leren kenmerken over de tijdvakken:

Jagers en boeren

Grieken en Romeinen

Monniken en ridders

Steden en staten

Ontdekkers en hervormers

Regenten en vorsten

Pruiken en revoluties

Burgers en stoommachines

Wereldoorlogen en Holocaust

Televisie en computers

De ‘Canon van de geschiedenis’ vormt de basis om de kinderen een beeld te geven van de tijdvakken. U kunt hier meer over vinden op:  www.entoen.nu

De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. De leerlingen leren deze te verbinden met de wereldgeschiedenis. 

 

Burgerschapskunde

Bij burgerschap gaat het om de bereidheid en het vermogen om deel uit te maken van de gemeenschap én om daar actief een bijdrage aan te leveren. Iedere burger is onderdeel van de maatschappij. Het leven in een vrijheid vraagt van iedereen dat hij of zij zich medeverantwoordelijk voelt voor de maatschappij. De betrokkenheid en verantwoordelijkheid die je voor de gemeenschap voelt, zijn een deel van je identiteitsontwikkeling. 

 

  • De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
  • De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.
  • De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger.
  • De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.
  • De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen.
  • De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu. 

 

De ontwikkeling van burgerschap komt tijdens diverse lessen van groep 1 t/m 8 aan de orde, zoals bij wereldoriëntatie, levensbeschouwing en sociaal emotionele ontwikkeling.  In de bovenbouw worden er naast de methode gebonden lessen nog 15 extra lessen gegeven over staatsinrichting en burgerschap in Nederland. Deze komen met name terug tijdens het themawerk. Een voorbeeld hiervan is het leren herdenken in het project ‘adopteer een monument’ met de daarbij horende monumentenfietstocht. 

 

Wat leert een kind met verkeersonderwijs?

Op de hele school wordt met verkeer gewerkt.  In de onderbouw heeft dat te maken met eenvoudige situaties, zoals op de stoep, op de speelplaats, oversteken enzovoort. In de bovenbouw wordt er naast de verkeerssituaties op de weg ook aandacht besteed aan de werking van het openbaar vervoer. Met verkeer wordt gebruik gemaakt van materialen die aansluiten bij de doelstellingen van Veilig Verkeer Nederland (VVN).

Naast de theoretische lessen, worden er ook praktische lessen aangeboden, zoals het controleren van de veiligheid van de fiets of het bekijken van verkeerssituaties in de buurt. We hebben als doelstelling dat kinderen aan het eind van de basisschool verkeersveilig over straat kunnen. 

De leerlingen van groep 8 doen mee aan het landelijke verkeersexamen. Er wordt een theoretisch en een praktisch examen afgenomen. Dit examen zal rond het einde van het schooljaar plaats vinden op de fiets. Voor het examen is een veilige fiets nodig. De fietsen worden gekeurd. Bij een voldoende aantal punten ontvangen zij dan een verkeersdiploma. Meer informatie is te vinden op www.vvn.nl

 

Wat is levensbeschouwing?

De Trimaran is een interconfessionele school. Dit betekent dat De Trimaran een school is met een protestantse en katholieke grondslag. Kinderen ontplooien op school hun talenten. Ze leren over zichzelf, andere mensen en de wereld om hen heen. Ze leren om te gaan met hun lichaam, hun verstand en gevoelens. Op die manier draagt de school ertoe bij dat kinderen zich kunnen ontwikkelen tot een ‘gaaf mens’. De spirituele vaardigheden vormen de basis van het levensbeschouwelijk onderwijs op school:

 

Verwonderen

De leerlingen kunnen zich laten verrassen door de gewone dingen van het leven en de wereld. Ze zijn nieuwsgierig naar het bestaan van mensen en de samenhang van dingen. Ze ontdekken dat ook zij verrassend kunnen zijn voor anderen. Zo lijdt deze verwondering tot een besef van verbondenheid met heel Gods wereld. Ook het gevoel voor schoonheid speelt hierbij een belangrijke rol. 

 

Verbinden

De leerlingen weten zich verbonden met Gods wereld, met mensen en met de natuur. Ze voelen zich verantwoordelijk voor de wereld om zich heen. De leerlingen kunnen zich laten raken door mensen en hun leefsituaties, zodat ze in beweging komen en doen wat ze kunnen voor recht en welzijn van de mensen dichtbij en veraf. 

 

Vertrouwen

De leerlingen zien het leven als een goede gave en een zinvolle opdracht. Ze staan open voor wat goed en mooi is. Ze staan open voor het leed dat zijzelf en anderen overkomen en ze hebben oog voor wat fout gaat in de wereld. 

 

Verbeelden

De leerlingen leren de taal van beelden en symbolen verstaan en gebruiken. Voorwerpen, gebeurtenissen, verhalen en woorden kunnen tot de verbeelding spreken. De leerlingen verstaan de taal van beelden en symbolen waarin anderen hun verwondering uitdrukken, o.a. in de religieuze taal, beelden en symbolen. 

 

Ordenen

De leerlingen kunnen ordening aanbrengen in de wereld om zich heen en eigen ervaringen. Ze kunnen zelfstandig nadenken over wat er in de wereld gebeurt, over opvattingen van anderen en ook over eigen opvattingen. 

 

Communiceren

De leerlingen kunnen met anderen delen wat ze zelf in het leven ontdekken. Ze staan open voor de rijkdom die anderen te bieden hebben. Dat vraagt om een ontwikkeld gevoel voor mensen en hun waarden, hun culturen en levensbeschouwingen. De leerlingen leren om gepaste woorden en sociale vaardigheden te gebruiken. 

 

Omgaan met traditie

De leerlingen kunnen traditionele gebruiken en opvattingen herkennen als uitingen van oorspronkelijk godsdienstige ervaringen. Ze maken kennis met de rijkdom van christelijke en andere geloofstradities. Ze kunnen deze in verband brengen met eigen ervaringen, zodat ze betekenis krijgen. Ze kunnen de geloofstradities kritisch bevragen of creatief voortzetten in eigen expressie en beleving. 

 Er wordt meerdere keren per week aandacht besteed aan levensbeschouwing. Dit kan een Bijbelverhaal zijn, maar ook een ervaringsgericht verhaal,  een verhaal uit een andere cultuur of door middel van een kunstwerk. Naar aanleiding daarvan wordt er met de groep gesproken over dagelijkse gebeurtenissen. Dit kan ondersteund worden door een lied, een gebed, een gedicht, een tekenopdracht of door een situatie na te spelen. De school maakt gebruik van de materialen en lessen van de methode ‘Trefwoord’. Meer informatie is te vinden op www.trefwoord.nl

Op de schoolkalender zijn diverse vieringen en feesten te vinden. Onze school besteedt hier veel aandacht aan. Iedere leerling doet op z’n eigen niveau mee aan deze vieringen. De vieringen worden met de hele school gevierd. Vieren doe je tenslotte samen. Bij ons op school vieren we onder andere het begin en het eind van het schooljaar, Sint Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, Verkleedfeest (rond Carnaval), Palmpasen, Pasen en de naamdag van onze school. 

 

Wat leert een kind met kunstzinnige oriëntatie?

Door middel van een kunstzinnige oriëntatie maken kinderen kennis met kunstzinnige en culturele aspecten in hun leefwereld. Het gaat bij kunstzinnige oriëntatie ook om het kennis maken met hedendaagse kunst en cultuur. Dit vindt zowel op school als daarbuiten plaats. 

Kinderen leren zich aan de hand van kunstzinnige oriëntatie open te stellen: ze kijken naar schilderijen en beelden, ze luisteren naar muziek, ze genieten van taal en beweging. Kunstzinnige oriëntatie is er ook op gericht bij te dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige uitingen in hun leefomgeving. 

In alle groepen wordt aandacht besteed aan de kunstzinnige oriëntatie. In andere vakken kan kunst worden gebruikt om de lesinhouden te ondersteunen en betekenisvoller te maken. Het plezier in het beleven van deze vakgebieden staat voorop.

 

De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren. De leerlingen maken hierbij kennis met diverse uiteenlopende materialen en instrumenten en de kinderen leren hiermee om te gaan. 

De leerlingen leren de beeldende mogelijkheden van diverse materialen onderzoeken aan de hand van de aspecten kleur, vorm, ruimte, textuur en compositie; Ze maken tekeningen en ruimtelijke werkstukken; Ze leren liedjes en leren ritme-instrumenten te gebruiken als ondersteuning bij het zingen. Ze spelen en bewegen.

De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren. Ze leren het werk van elkaar te waarderen en te bekritiseren. De kinderen krijgen op school de gelegenheid om het resultaat aan elkaar te presenteren. Op diverse plaatsen in de school kunt u de kunstwerken van de kinderen bewonderen. Daarnaast leren kinderen diverse kunstuitingen te beschouwen en hierover een mening te vormen.  

De leerlingen maken kennis met diverse aspecten van cultureel erfgoed en ze leren dit te waarderen. Het cultureel erfgoed uit de eigen regio neemt hierbij een belangrijke plaats in. Binnen thema’s worden excursies en museumbezoeken georganiseerd.  

 

De school heeft sinds 2014 een culturele partner gevonden in Triade. Triade is het centrum voor kunsteducatie. Gedurende een bepaalde periode in het schooljaar komt ene docent van Triade het team van leerkrachten versterken. Samen met de docent wordt er door de leerkrachten gekeken hoe de doelen van ons taalonderwijs op een creatieve manier gehaald kunnen worden. Ook wordt er gekeken hoe we de kunstdiscipline kunnen toepassen bij het thematisch werken.

Groepen kunnen via Triade een bezoek brengen aan een voorstelling in de schouwburg of het filmhuis. Ook bieden zij de mogelijkheid een tentoonstelling te bezoeken. De school selecteert voorstellingen en tentoonstellingen op basis van thema’s waar de leerlingen mee werken. Meer informatie is te vinden op www.triade-denhelder.nl

 

Wat leert een kind met bewegingsonderwijs? 

Kinderen bewegen veel en graag. Dat zien we bijvoorbeeld op het schoolplein. Het behouden van die actieve leefstijl is een belangrijke doelstelling van het bewegingsonderwijs. Om dat doel te bereiken leren kinderen in het bewegingsonderwijs deelnemen aan veel vormen van bewegingsactiviteiten, zodat de leerlingen diverse bewegingsvaardigheden ontwikkelen.

Deze vaardigheden bevatten motorische aspecten, maar ook sociale vaardigheden (samen bewegen met anderen). Leerlingen ervaren de bewegings- en spelvormen in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegings-vormen als balanceren, springen, klimmen, schommelen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tikspelen, doelspelen, spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken, jongleren en stoeispelen.

Vanuit dit aanbod zullen kinderen zich ook kunnen oriënteren op de buitenschoolse bewegings- en sportcultuur en de meer seizoengebonden bewegingsactiviteiten.

De groepen 1/2 maken gebruik van de speelzaal, zodat de mogelijkheid bestaat om met de kinderen gericht te bewegen. De leerlingen van groep 1/2 hebben dagelijks bewegingsonderwijs. (binnen of buiten) De groepen 3 t/m 8 hebben twee keer per week bewegingsonderwijs in de gymzaal van het brede schoolcomplex. In alle groepen (1 t/m 8)  worden een keer per week de gymles verzorgd door een vakleerkracht. 

Twitter Icon Twitter



Contact Icon Contact


De Trimaran
Marsdiepstraat 278
1784 AW Den Helder
Tel: 0223 613191
directeur.
detrimaran@sarkon.nl

Partners Icon Partners

Triade
Stichting Kinderopvang Den Helder
Kopgroep Bibliotheken
De Helderse Vallei
Stichting de Wering